Bladluis bestrijden: wat werkt en wat je kunt laten

Van alle klachten die in een Nederlandse tuin worden gemeld is bladluis de meest voorkomende, en waarschijnlijk ook de meest overbehandelde. Het patroon is elk jaar hetzelfde: eind mei ziet iemand een kolonie op een rozenscheut, er wordt iets gekocht en gespoten, en twee weken later arriveren de lieveheersbeestjes in een tuin waar niets meer te eten valt.

Dat is jammer, want bladluis is een van de weinige plagen die zichzelf in veel gevallen oplost. De vraag is dus niet meteen hoe je ze doodt, maar of je iets moet doen.

Eerst dit: hoeveel is te veel?

Een handjevol luizen op een scheut is geen plaag. Het is voedsel voor de beesten die je in je tuin wilt hebben. Pas als aan deze voorwaarden wordt voldaan, is ingrijpen zinvol:

  • De scheuten krullen of blijven achter. Bladluis zuigt sap; bij een zware aantasting vervormt de groeitop.
  • Er ligt kleverige honingdauw op de bladeren eronder, waar later zwarte roetdauw op groeit.
  • Het gaat om een jonge plant die de schade niet kan opvangen, of om een gewas dat je gaat eten.
  • Je ziet geen enkele natuurlijke vijand na twee weken kijken.

Is aan geen van die vier voldaan, dan is niets doen een volwaardige en vaak de beste keuze.

Waarom het zo ontzettend snel gaat

Dit verklaart waarom je op maandag drie luizen ziet en op zaterdag driehonderd. Bladluizen planten zich in het voorjaar en de zomer voort zonder mannetjes. De vrouwtjes baren levende jongen, en die jongen dragen op het moment van hun geboorte al hun eigen nakomelingen in zich.

Er zit dus geen ei-stadium tussen en geen paring. Eén vrouwtje levert in enkele weken duizenden nakomelingen. Zodra het te vol wordt, krijgt een deel vleugels en vertrekt naar de volgende plant.

De praktische conclusie: de snelheid werkt ook in jouw voordeel. Een populatie die in twee weken kan verdubbelen, kan in twee weken ook instorten zodra er genoeg roofdieren zijn. Dat is precies wat er in juni gebeurt in een tuin waar je niet gespoten hebt.

De eerste ingreep is water

Voordat je aan middelen denkt: een harde straal water van de tuinslang spoelt het merendeel van de kolonie eraf. Bladluizen die op de grond belanden vinden de plant zelden terug.

  • Doe het in de ochtend, zodat het blad opdroogt.
  • Richt ook op de onderkant van de bladeren en de groeitoppen; daar zitten ze.
  • Herhaal om de twee of drie dagen, een keer of drie. Eén keer spoelen doet niets.
  • Niet doen bij jonge, slappe scheuten of op een plant vol bloeiende bloemen waar insecten op zitten.

Dit is gratis, het schaadt niets en niemand, en bij lichte aantasting is het vaak voldoende.

Zeep is het middel dat wel werkt

Werkt water niet genoeg, dan is een zeepoplossing de volgende stap. Zeep tast de waslaag van het insect aan waardoor het uitdroogt; het is het enige huismiddel waarvan het werkingsmechanisme onomstreden is.

De verhouding, de juiste soort zeep en de veelgemaakte fouten staan apart beschreven, want hier gaat regelmatig iets mis met de dosering. Wat je hier moet onthouden: gebruik groene of bruine zeep, geen afwasmiddel, en spuit nooit in de volle zon.

Mieren zijn vaak het echte probleem

Als je ergens een hardnekkige kolonie hebt die telkens terugkomt, kijk dan of er mieren langs de stengel op en neer lopen. Dat is geen toeval.

Mieren houden bladluizen zoals wij vee houden. Ze drinken de honingdauw die de luizen uitscheiden, en in ruil daarvoor verdedigen ze de kolonie actief tegen lieveheersbeestjes en gaasvliegen. Ze verplaatsen ze zelfs naar betere plekken op de plant.

Zolang de mieren er zijn, komen de natuurlijke vijanden er niet bij en blijft de luizenkolonie bestaan. Een lijmband rond de stam, of de nestingang verplaatsen, doet in zo n geval meer dan welk spuitmiddel ook.

Bladluizen op een jonge scheut

De natuurlijke vijanden, en waarom je ze niet moet wegspuiten

In een Nederlandse tuin doen vier soorten het werk: lieveheersbeestjes, larven van de zweefvlieg, gaasvliegen en sluipwespen. De eerste twee eten er honderden per stuk.

Belangrijk detail dat bijna iedereen mist: de larve van het lieveheersbeestje eet veel meer dan het volwassen kevertje, en die larve ziet er niet uit als een lieveheersbeestje. Het is een langwerpig, grijszwart beestje met oranje vlekken, en het wordt massaal doodgeslagen omdat mensen denken dat het ongedierte is.

Breedwerkende spuitmiddelen raken al deze soorten, en zij herstellen zich trager dan de luizen. Daarom komt de plaag na het spuiten vaak harder terug dan hij was.

Larve van een lieveheersbeestje op een blad: langwerpig, grijszwart met oranje vlekken
Dit is de larve van het lieveheersbeestje, en die eet er veel meer dan het volwassen kevertje. Hij wordt vaak doodgeslagen omdat mensen hem voor ongedierte aanzien.

Wanneer je wél snel moet ingrijpen

  • Op zaailingen en jonge plantjes. Die hebben geen reserve.
  • Op groente die je binnen een week oogst, al is het dan vooral een kwestie van afspoelen.
  • Bij zwarte luis op tuinbonen. Die zit in de groeitop en kost je de oogst. Knip de top met kolonie en al eraf zodra de onderste peulen zitten.
  • In een kas. Daar komen de natuurlijke vijanden nauwelijks binnen, dus het zelfregulerende effect valt weg.

Wat je volgend jaar anders doet

Bladluis voorkom je niet, maar je kunt de balans in je voordeel kantelen.

  • Zaai bloeiende planten tussen je gewassen. Zweefvliegen en gaasvliegen leven van nectar en leggen hun eieren in de buurt van hun voedsel. Een bijvriendelijke border is tegelijk een luizenbestrijdingsplan.
  • Bemest minder met stikstof. Zacht, snel gegroeid blad is precies wat bladluis zoekt. Dit geldt ook voor je gazonmest, die je niet in de borders moet gebruiken.
  • Laat wat rommel liggen. Lieveheersbeestjes overwinteren in holle stengels en bladhopen, niet in een kaalgeharkte tuin. Zie tuin winterklaar maken.
  • Snoei rozen niet te laat en niet te hard. Een explosie van verse scheuten in mei is een uitnodiging.

Twee rozenstruiken, wel en niet behandeld

Een kolonie op een rozenscheut verdubbelt in het voorjaar ongeveer elke week. Begin mei vijftig luizen betekent half juni enkele duizenden, tenzij er iets tussenkomt.

Struik A, niets gedaan: piek rond 10 juni, eerste lieveheersbeestjes rond 5 juni, eind juni vrijwel leeg. Schade: wat gekrulde toppen.

Struik B, half mei gespoten met een breedwerkend middel: binnen twee dagen schoon, maar ook zonder roofinsecten. Half juni waaien er gevleugelde luizen binnen van struik A en die vinden een plant zonder enige verdediging. Tweede piek eind juni, zwaarder dan de eerste.

Dit patroon, de zogeheten opleving na behandeling, is de reden dat afspoelen en zeep de voorkeur hebben boven een middel dat alles raakt.

Waar het in de praktijk op neerkomt

Kijk eerst of er schade is en niet alleen luizen. Spuit ze er in dat geval af met water, drie keer in een week. Helpt dat niet, ga dan over op zeep. Controleer altijd of er mieren meelopen, want zolang die er zijn houdt niemand anders het schoon. En sla dat grijszwarte beestje met de oranje vlekken niet dood: dat is je beste medewerker.

Meer lezen bij

Cristian Soto
Geschreven door
Cristian Soto

Cristian Soto schrijft over tuinieren, moestuinen en klussen in en om het huis. Hij bouwt de rekenhulpen op deze site zelf en test elke berekening met echte maten uit zijn eigen tuin voordat die online gaat. Zijn uitgangspunt: uitleggen in gewone taal wat andere sites vaag laten.

Plaats een reactie