Klimplanten voor schuttingen: vier keuzes met verrassingen

De meeste mensen denken bij een schutting vooral aan privacy en veiligheid. Pas als de kale planken al maanden naar binnen staren, komt de vraag: wat groeit daar nou mooi tegenaan? Niet elke klimplant is een succes. Vier soorten maken het je in een gewone Nederlandse tuin net iets makkelijker. Maar ook bij deze vier geldt: niet alles wat in het tuincentrum staat, werkt in jouw tuin.

Clematis: veelbelovend, maar niet zonder nukken

Iedereen die een tuin heeft, belandt vroeg of laat bij de Clematis. In folders zie je rijen vol dikke bloemen, alsof zelfs de schutting zelf spontaan in bloei staat. In werkelijkheid is de Clematis berucht om zijn wispelturigheid. Vergis je niet: hij kan meters maken in een jaar tijd, maar vraagt wel om aandacht. ‘Voeten in de schaduw, kop in de zon’ hoor je altijd. Dat klopt, maar er is meer. De wortels zijn gevoelig voor hitte en droogte, de scheuten breken als je er met een gieter tegenaan tikt, en in natte zomers komt er schimmel bij kijken.

Toch blijft Clematis populair, en dat is niet voor niets. Geen andere klimplant geeft in zo veel kleuren en vormen bloei van het vroege voorjaar tot in september – mits je de juiste soort kiest voor het juiste moment. Grofweg zijn er drie groepen, met elk hun eigen eigenaardigheden. De grootbloemige soorten lijken op de foto het mooist, maar vallen het vaakst tegen. Dat ligt niet aan de plant, maar aan onze verwachtingen. Kies je voor een sterkere, iets minder opvallende soort als Clematis montana of de rankende bosrank (Clematis vitalba), dan heb je minder gedoe, maar ook minder spektakel.

Klimop: gegarandeerd resultaat, maar niet altijd gewenst

Er zijn weinig planten die zich zo onverschrokken op een schutting storten als klimop. Waar anderen nog aarzelen of hun wortels het uithouden in droge grond of tegen een winderige muur, kruipt klimop stug omhoog. Het cliché is waar: je hoeft hem één keer te planten, daarna doet hij de rest. Maar die vanzelfsprekendheid heeft een keerzijde. Klimop groeit altijd verder dan je bedoeling was, raakt verstrikt in regenpijpen, duwt zijn weg onder dakpannen, en maakt van een houten schutting binnen vijf jaar een groen tapijt dat niet meer loskomt zonder geweld.

Toch, als je gewoon een groene wand wilt die het hele jaar blijft staan, is er geen beter alternatief. Klimop trekt met zijn bescheiden bloei insecten, biedt schuilplek aan vogels, en dempt wind en geluid. De onderhoudskosten zijn laag, maar het werk blijft: minstens twee keer per jaar snoeien, en vaak vaker. Niet doen als je een hekel hebt aan knippen, of als je buren niet van onverwacht groen houden. Wie geen haast heeft, kan de eerste jaren combineren met eenjarige klimmers of een paar vroege clematissen, tot de schutting volledig is verdwenen.

Close-up van paarse clematisbloemen in volle bloei

Kamperfoelie: geur boven uiterlijk, mits je de juiste kiest

Kamperfoelie wordt vaak onderschat. Mensen willen bloemen zien, en liefst groot en fel. Kamperfoelie laat zich niet opjagen. De bloei is minder uitbundig dan op het plaatje, maar de geur maakt alles goed – vooral in de avond. Dat is tenminste zo bij de wilde Lonicera periclymenum en enkele oude cultivars. Bij de moderne, vaak felgekleurde soorten valt de geur soms tegen. Die zijn bedacht voor het oog, niet voor de neus.

De kracht van kamperfoelie zit vooral in de combinatie. Hij groeit redelijk snel, maar niet zo snel dat je elke week met de snoeischaar klaar moet staan. In de halfschaduw doet hij het vaak beter dan in de volle zon. De bloei komt in golven, en zaait zichzelf niet uit zoals klimop. Er zit een zekere rust in een kamperfoelie die zich langzaam door een rek werkt, zonder alles te overwoekeren. Toch zijn er valkuilen: bladluis is dol op kamperfoelie in het voorjaar, en slakken doen zich soms tegoed aan de jonge scheuten. Je kunt daar wel iets aan doen, maar verwacht geen perfecte plant. Dat hoort niet eens bij een Nederlandse tuin. Voor wie wil weten wat écht werkt tegen slakken, valt er meer te lezen bij Slakken in de moestuin: wat werkt en wat niet.

Wilde wingerd: het seizoen als voordeel én als nadeel

De wilde wingerd (Parthenocissus) is niet gemaakt voor wie altijd alles onder controle wil houden. In april lijkt hij morsdood, in juni maakt hij een groeispurt waar je U tegen zegt. Plotseling duikt er overal rood en groen blad op, vaak precies waar het niet uitkomt. In het najaar is de show compleet: vuurrood blad, kort maar krachtig, tot de wind het meeneemt en de schutting weer kaal achterblijft.

Hier zit de kracht én de zwakte van wingerd. Wie het hele jaar door privacy zoekt, komt bedrogen uit: vanaf november kijk je weer tegen de kale planken aan. Maar voor wie de seizoenen omarmt, is het een van de makkelijkste klimmers die je kunt kiezen. Hij hecht zichzelf met zuignapjes aan hout, steen, of zelfs metaal. Je hoeft niets op te binden, niets te begeleiden. Af en toe wat terugknippen om de dakgoot te sparen, meer niet. In de praktijk kan wingerd een oude, lelijke schutting in één groeiseizoen veranderen in iets wat bijna door kan voor een tuinmuur in Frankrijk. Bij storm laten de bladeren zich zonder protest los, en je hebt weinig last van ongedierte. Of je het blad in de herfst laat liggen of niet – dat is een ander verhaal, en daar verschillen de meningen over.

Praktijkvoorbeeld: vier meter schutting, vier keuzes

Vier meter schutting, vier keuzes:
  • Jaar 1: Eén Clematis montana geplant, één klimop, één kamperfoelie, één wilde wingerd. Tussenruimte: 1 meter per plant.
  • Jaar 2: Clematis groeit snel, maar bladert uit op de helft van de schutting. Klimop staat nog maar net boven de onderrand. Kamperfoelie is smal en steekt naar voren, wingerd zit vol jonge scheuten maar nog geen echte dekking.
  • Jaar 5: Clematis montana heeft de halve schutting overwoekerd maar laat gaten in de winter. Klimop heeft een dichte, wintergroene mat gevormd. Kamperfoelie geeft geur in juni, maar blijft slanker dan de rest. Wingerd is onstuimig in de zomer, kaal in de winter, maar de show in oktober is spectaculair.
  • Onderhoud: Snoeien van de klimop en wingerd vereist per jaar drie ochtenden werk. Clematis vraagt elke winter om snoei tot kniehoogte, kamperfoelie knip je alleen de dode takken uit.
  • Vogels: klimop levert nesten en besjes, wingerd trekt geen vogels, kamperfoelie lokt bijen, clematis vooral vlinders.
Groene klimopranken die tegen een houten schutting omhoog groeien

Wat je beter niet kiest voor de schutting

Een schutting lijkt de plek voor alles wat klimt, maar sommige planten stellen je onvermijdelijk teleur. Blauwe regen bijvoorbeeld: prachtig langs een pergola, dodelijk voor een lichte schutting. In een paar jaar tijd trekt hij alles uit het lood, met wortels dik als een kinderarm en scheuten die elke plank loswerken. Een druif lijkt verleidelijk, maar groeit niet vanzelf langs een schutting zonder zon, en vraagt rigoureuze snoei. Rozen? Alleen met toewijding en dikke handschoenen, want klimrozen hebben een eigen wil en maken overal haken. Passiebloem overleeft zelden een echte winter zonder bescherming, en sterft vaak af tot op de grond.

Wat vaak vergeten wordt: de plek bepaalt meer dan de plant. In diepe schaduw redt geen enkele klimplant het jaar na jaar, behalve klimop. In volle zon is uitdroging het grootste probleem, met alle gevolgen van dien. Planten die in Zuid-Frankrijk zonder moeite vier meter hoog worden, kwijnen in onze natte Hollandse winters weg aan de noordkant van een schutting. Wie een tuin heeft waar nauwelijks zon komt, kan beter kijken naar no dig moestuin: tuinieren zonder spitten of planten die het goed doen in de schaduw.

Opbinden, leiden, of gewoon loslaten?

De ene schutting vraagt meer om leiding dan de andere. Clematis en kamperfoelie klimmen met ranken of stengels, maar houden zich niet vast aan glad hout. Je zult dus altijd wat draad, gaas of een simpel rek nodig hebben. Klimop en wingerd doen het zonder hulp, maar klampen zich vast met wortels of zuignapjes. Dat maakt verschil als je ooit besluit de schutting te vervangen: waar een Clematis na één knip loslaat, moet je bij klimop soms het hele houtwerk vernieuwen.

In de praktijk blijkt: de mooiste klimplanten zijn niet de planten die het hardst groeien, maar degene die je net genoeg laat ingrijpen om het idee van controle te houden – zonder dat je elke week in de weer bent. De perfecte klimplant bestaat ook hier niet. De beste keus is meestal degene die het minste opvalt wanneer het winter is, en het meeste als het seizoen daarom vraagt.

De schutting als compromis tussen natuur en gemak

Een schutting met klimplanten is altijd een compromis. Je wilt privacy en groen, maar je krijgt er werk, onvoorziene gaten, bladval en soms ongewenste gasten bij. Vogels nestelen zich waar je het niet wilt, slakken kruipen via de takken je border in, en in droge zomers blijken zelfs de taaiste klimmers ineens dorstig. Je kunt kiezen voor een strak groen scherm, of voor een seizoen vol variatie, maar altijd met onverwachte wendingen. Dat is misschien wel de charme van een klimplant: net als in de rest van de tuin win je nooit echt, je doet gewoon mee met het ritme. En of dat nu voldoening is, of berusting – de tuin trekt zich er niets van aan.

Meer lezen bij

Cristian Soto
Geschreven door
Cristian Soto

Cristian Soto schrijft over tuinieren, moestuinen en klussen in en om het huis. Hij bouwt de rekenhulpen op deze site zelf en test elke berekening met echte maten uit zijn eigen tuin voordat die online gaat. Zijn uitgangspunt: uitleggen in gewone taal wat andere sites vaag laten.