Groen, zwart, geel, wit, roze en soms wollig: bladluizen komen in genoeg kleuren voor om te denken dat je met verschillende plagen te maken hebt. Dat valt mee. De bestrijding is voor vrijwel allemaal hetzelfde. Waar de kleur wél iets over zegt, is welke plant er risico loopt en hoe snel je moet handelen.
De snelle versie
| Kleur | Meestal op | Urgentie |
|---|---|---|
| Groen | Rozen, fruitbomen, vrijwel alles | Laag, lost vaak vanzelf op |
| Zwart | Tuinbonen, vlierbes, kers | Hoog op tuinbonen |
| Geel of oranje | Oleander, zijdeplant, vlinderstruik | Laag, vooral cosmetisch |
| Wit en poederig | Kamerplanten, kas | Let op: vaak geen bladluis |
| Wollig of dons | Appelboom, stam en snoeiwonden | Hoog, lastig te bestrijden |
| Gevleugeld | Overal, in juni en augustus | Signaal, geen aparte soort |
Groene bladluis: de standaard
Dit is wat de meeste mensen bedoelen als ze bladluis zeggen. Lichtgroen tot geelgroen, twee tot drie millimeter, in dichte kolonies op de jongste scheuten en aan de onderkant van blad.
Ze komen vanaf april, pieken half juni en verdwijnen daarna grotendeels doordat de natuurlijke vijanden op gang komen. Op rozen is dit de klassieke verschijning, meestal op de verse scheuten na het snoeien.
Aanpak: afspoelen met water, en pas daarna zeep. In negen van de tien gevallen is dat genoeg. Zie bladluis bestrijden voor de volgorde.
Zwarte bladluis: de enige die haast heeft
Zwart tot donkerbruin, glanzend, in compacte zwarte proppen op de groeitop. Op tuinbonen is dit geen schoonheidsprobleem maar een oogstprobleem: de kolonie zit precies op het punt waar de plant nog moet groeien, en de peulzetting valt stil.
Aanpak op tuinbonen: zodra de onderste peulen gezet zijn, knip je de bovenste tien tot vijftien centimeter van de plant eraf, mét kolonie. Dat is geen noodgreep maar gangbare teeltpraktijk — toppen doe je toch, en het haalt de luizen in één keer weg. Gooi het afgeknipte bij het restafval.
Op vlierbes en sierkers ziet het er alarmerend uit en valt de schade doorgaans mee.
Gele en oranje bladluis
Fel geeloranje, vaak in indrukwekkend dichte rijen langs een stengel. Je ziet ze vooral op oleander, zijdeplant en soms op de vlinderstruik.
Deze soort is sterk gespecialiseerd en gaat zelden over op je groente. De schade blijft meestal beperkt tot wat kleverige honingdauw. Aanpak: afspoelen, en verder met rust laten; ze trekken juist veel lieveheersbeestjes aan.

Wit en poederig: meestal geen bladluis
Hier gaat het vaak mis. Wat wit en poederig op een plant zit, is in de meeste gevallen iets anders:
- Witte vlieg. Kleine witte vliegjes die opstuiven als je het blad aanraakt. Verwant aan bladluis, andere aanpak, en in een kas of op kamerplanten veel voorkomend.
- Wolluis. Ovale beestjes onder een wit wasdonsje, die nauwelijks bewegen. Zitten in bladoksels en op stengels van kamerplanten.
- De vervellingshuidjes van gewone bladluis. Witte, lege velletjes die achterblijven op het blad. De luizen zelf zijn dan groen; wat je wit ziet is hun afval.
- Meeldauw. Poeder dat je met je duim kunt wegvegen. Een schimmel, geen insect.
Zoom met je telefooncamera in voordat je iets koopt. Bewegen de witte dingetjes, dan is het een insect; blijven ze liggen, dan zijn het huidjes of schimmel.

Wollige bladluis op de appelboom
Dit is de lastigste van het stel. Je ziet plukjes wit dons, alsof er watten op de stam of in een snoeiwond zitten. Onder dat dons zit een roodbruine luis, en dat donzige waslaagje is precies het probleem: een waterstraal of zeepoplossing komt er niet doorheen.
Ze zitten op hout en in wonden, niet op blad, en veroorzaken op termijn knobbelige vergroeiingen op takken.
Aanpak: plukjes met een harde borstel wegvegen, en snoeiwonden netjes houden. Dit is de enige soort in dit rijtje waarbij een gerichte behandeling in de winter, als de boom kaal is, meer zin heeft dan spuiten in de zomer.
Gevleugelde luizen zijn geen aparte soort
Zie je opeens luizen met vleugels, dan is dat geen invasie van iets nieuws. Als een kolonie te dicht wordt of de plant achteruitgaat, krijgt een deel van de nakomelingen vleugels om elders een nieuwe kolonie te stichten.
Het is dus een signaal: de kolonie waar ze vandaan komen zit vol, en binnen een week heb je ze ergens anders in de tuin. Dit is het moment om te kijken welke plant de bron is.
Wanneer in het jaar je welke ziet
Bladluis is geen constante. De soorten volgen elkaar op, en dat verklaart waarom je in mei iets anders ziet dan in augustus.
| Periode | Wat er speelt |
|---|---|
| April | Eerste kolonies uit overwinterde eitjes, op houtige gewassen |
| Mei | Snelle opbouw. Groene luis op rozen, zwarte op tuinbonen |
| Juni | Piek, en tegelijk de komst van lieveheersbeestjes en zweefvlieglarven |
| Juli | Instorting van de meeste kolonies. Gevleugelde exemplaren verhuizen |
| Augustus | Tweede, kleinere golf, vooral op late groente en in de kas |
| September | Terugkeer naar houtige waardplanten om eitjes af te zetten |
Die instorting in juli is het belangrijkste om te weten: wie half juni in paniek raakt, grijpt meestal precies twee weken voordat het probleem zichzelf oplost.
Op groente: wat kun je nog eten?
Bladluis is niet giftig en draagt geen ziektes over op mensen. Alles wat je oogst kun je gewoon eten, mits je het wast.
- Sla en andijvie: blad voor blad onder de kraan. Luizen zitten in de hartjes, dus die uit elkaar halen.
- Tuinbonen: de peulen zelf zijn vrijwel altijd schoon, want de kolonie zit in de top.
- Boerenkool en spruiten: hier kan het lastig zijn, want melige koolluis zit dicht tussen de bladnerven. Een half uur in koud water met een scheut azijn maakt ze los.
Heb je gespoten, ook met zeep, spoel dan sowieso voor het eten.
Hoe je ze bekijkt zonder loep
Draai een aangetast blad om en maak met je telefoon een foto van dichtbij, met de flits aan. Zoom daarna in op het scherm. Waar je op let:
- Twee buisjes achterop het achterlijf, als kleine uitlaatpijpjes. Dat is hét kenmerk van bladluis en heeft geen enkel ander tuininsect.
- Peervormig lijf en lange dunne pootjes.
- Verschillende maten door elkaar in één kolonie: volwassenen en jongen zitten bij elkaar, want ze baren levende jongen.
Wat de kleur wél en niet bepaalt
Van de zes verschijningen hierboven vragen er vier exact dezelfde aanpak: water, dan zeep, en de mieren controleren.
Er zijn twee uitzonderingen, en alleen die hoef je te onthouden. Zwart op tuinbonen: toppen, meteen, anders kost het je peulen. Wollig op de appelboom: borstelen, want door dat wasdons komt geen enkele vloeistof heen.
Alle andere kleurverschillen zijn interessant en verder niet van belang voor wat je moet doen.
Wat je hieraan hebt als je voor de plant staat
Kleur bepalen is leuk, maar in de praktijk gaat het om twee vragen: staat het op tuinbonen en is het zwart, of zit het wollig op hout. In beide gevallen doe je iets anders dan normaal. In alle overige gevallen maakt de kleur niets uit en volg je gewoon de vaste volgorde: kijken of er schade is, afspoelen, zeep, en de mieren in de gaten houden.
Meer lezen bij
- Plagen op kamerplanten — Milieu Centraal
Cristian Soto schrijft over tuinieren, moestuinen en klussen in en om het huis. Hij bouwt de rekenhulpen op deze site zelf en test elke berekening met echte maten uit zijn eigen tuin voordat die online gaat. Zijn uitgangspunt: uitleggen in gewone taal wat andere sites vaag laten.