In het rek met pootgoed staan tien zakken naast elkaar met namen die weinig zeggen, en één regel op de achterkant die alles bepaalt: vroeg, middelvroeg of laat. Dat is geen smaakaanduiding maar een tijdsaanduiding, en het bepaalt wanneer je oogst, hoe lang het bed bezet is, en of je last krijgt van de ziekte die vanaf juli rondgaat.
Daarnaast staat er meestal iets over kruimig of vastkokend, en dát gaat wel over de keuken. Twee onafhankelijke keuzes dus, die vaak door elkaar lopen.
Vroeg, middelvroeg of laat
| Vroeg | Middelvroeg | Laat | |
|---|---|---|---|
| Groeiduur | 10 tot 13 weken | 15 tot 17 weken | 18 tot 22 weken |
| Oogst | Eind juni, juli | Augustus | September, oktober |
| Opbrengst per plant | 0,6 tot 0,9 kg | 0,8 tot 1,1 kg | 1 tot 1,5 kg |
| Bewaren | Nauwelijks, weken | Enkele maanden | Tot in het voorjaar |
| Aardappelziekte | Meestal geoogst vóór de piek | Risico | Vol risico |
| Bed bezet | Kort, er kan nog iets na | Halve zomer | Hele seizoen |
Die voorlaatste rij is het argument dat zwaarder weegt dan smaak. De aardappelziekte slaat toe vanaf juli bij warm, vochtig weer, en een vroeg ras is dan al binnen. In een kleine moestuin zonder ruimte voor experimenten is dat een reële reden om vroeg te kiezen.
Wat er in de keuken toe doet
Los van de vroegheid staat het kooktype, en dat is wat je proeft.
Vastkokend. Blijft heel, valt niet uit elkaar. Voor salades, aardappels uit de oven, gebakken aardappels en krieltjes. Het merendeel van de vroege rassen is vastkokend of licht vastkokend.
Kruimig. Valt uit elkaar bij het koken. Voor puree, stamppot en frites. Dit zijn vaker de late rassen.
Tussentype. Doet beide redelijk en niets uitstekend. Als je er maar één wilt, is dit de praktische keuze.
Een nuance die zelden op de zak staat: hetzelfde ras kookt vastkokender als je het jong oogst. Een vroeg gerooide aardappel bevat minder zetmeel. Dat verklaart waarom dezelfde knol in juni anders kookt dan in september.
Rassen die je in Nederland tegenkomt
De namen wisselen per leverancier en per jaar, maar deze staan er vrijwel altijd:
- Frieslander. Vroeg, vastkokend, bekend om de smaak. Een klassieker voor de eerste oogst.
- Eersteling. Zeer vroeg, vastkokend. De naam zegt het al; vaak de eerste die je rooit.
- Nicola. Middelvroeg, vastkokend, betrouwbare opbrengst en goed te bewaren.
- Roseval. Middelvroeg, rode schil, geel vlees, vastkokend. Doet het ook goed in een emmer.
- Charlotte. Middelvroeg, vastkokend, klassieke saladeaardappel.
- Bildtstar. Middelvroeg tot laat, kruimig, rode schil. Uit het noorden.
- Doré. Vroeg, licht kruimig, oud Nederlands ras met veel liefhebbers.
- Agria. Laat, kruimig, grote knollen. Bekend als frites- en puree-aardappel.
Staat er «resistent» of «tolerant» bij op de zak, dan gaat dat meestal over de aardappelziekte, en dat is bij late rassen een reden om die zak te kiezen boven de zak ernaast.
Zoete aardappel is iets anders
De zoete aardappel hoort tot een andere familie — hij is verwant aan de winde, niet aan de nachtschade. Dat heeft praktische gevolgen: hij wil aanzienlijk meer warmte, hij wordt niet gepoot maar geplant als stek, en hij heeft een lang, warm seizoen nodig.
In Nederland lukt het in een kas of op een warme, beschutte plek onder folie. In de volle grond buiten is het een gok die vaker misgaat dan goed gaat, en de opbrengst blijft bescheiden.
Belangrijk voor de vruchtwisseling: omdat hij níet tot de nachtschadefamilie hoort, telt hij ook niet mee in de drie of vier jaar die je aanhoudt tussen aardappels en tomaten.

Zelf pootgoed houden van je eigen oogst
Het ligt voor de hand: leg een paar knollen van je oogst apart en poot die volgend jaar. Dat kan, en er zit één addertje onder dat bepaalt of het goed gaat.
Wat ervoor pleit: het kost niets, en je selecteert jaar na jaar wat het bij jou in de tuin goed deed.
Wat ertegen pleit: virussen. Gecertificeerd pootgoed wordt gekeurd en is vrij van een reeks virusziekten die met bladluis worden overgebracht. Jouw eigen knollen zijn dat niet, en die virussen stapelen zich per generatie op. Je merkt er het eerste jaar niets van, het tweede jaar misschien iets, en daarna zie je de opbrengst zakken en het loof kroezen.
De werkbare tussenweg: houd één of twee generaties aan en koop daarna weer vers pootgoed. Veel volkstuinders doen het zo, en dat werkt prima.
Als je het doet:
- Kies van je gezondste planten, niet van de plant die achterbleef.
- Neem knollen van eierformaat. Te groot is verspilling, te klein geeft een zwakke start.
- Bewaar koel, donker en luchtig bij vier tot zes graden. Niet in de koelkast en niet in plastic.
- Haal ze in februari naar het licht om voor te kiemen.
- Gooi alles weg wat zacht of vlekkerig is. Eén rotte knol in een kist besmet de rest.
Wat je zeker niet doet is knollen bewaren van een gewas dat de aardappelziekte heeft gehad. Die sporen gaan mee de winter door en je poot de ziekte dan letterlijk terug de grond in.

Welke kies je?
Heb je weinig ruimte? Vroeg. Het bed is eind juni weer vrij voor sla, boontjes of een tweede teelt, en je loopt de ziekte voor.
Wil je bewaren tot in de winter? Laat, en dan een ras met tolerantie voor de aardappelziekte.
Is dit je eerste keer? Een vroeg vastkokend ras. Kortste tijd tot resultaat, minste dat er mis kan gaan, en je proeft het verschil met de winkel het duidelijkst.
Heb je ruimte voor meer dan één? Neem een vroege en een late. Dan oogst je in juni en nog eens in september, en je spreidt het risico.
Kweek je in een emmer of zak? Vroeg, altijd. Late rassen hebben meer volume nodig dan in een emmer past.
Vier vierkante meter: één ras of twee?
Alleen laat: ongeveer 14 planten, oogst eind september, zo’n 16 kilo die je tot maart bewaart. Het bed is van april tot oktober bezet.
Alleen vroeg: ongeveer 22 planten, oogst eind juni, zo’n 16 kilo die je binnen twee maanden opeet. Het bed is daarna vrij voor een tweede teelt.
De helft van elk: 11 vroege en 7 late. Eind juni zo’n 8 kilo verse, eind september 8 kilo om te bewaren, en op de vrijgekomen helft staat vanaf juli sla of andijvie.
Die laatste variant levert hetzelfde gewicht aan aardappels plus een extra oogst, en als de aardappelziekte de late helft treft, heb je de vroege al binnen.
Waar je op let bij de zak
Kijk eerst naar vroeg of laat, want dat bepaalt je planning. Kijk dan naar vastkokend of kruimig, want dat bepaalt of je het lekker vindt. Let bij late rassen op een vermelding over resistentie tegen de aardappelziekte. En als je twijfelt tussen twee zakken: neem de vroege. Die vergeeft het meest, hij bezet je bed het kortst, en hij is binnen voordat de problemen beginnen.
Meer lezen bij
- Voorkom een plaag, begin vandaag! — Milieu Centraal
Cristian Soto schrijft over tuinieren, moestuinen en klussen in en om het huis. Hij bouwt de rekenhulpen op deze site zelf en test elke berekening met echte maten uit zijn eigen tuin voordat die online gaat. Zijn uitgangspunt: uitleggen in gewone taal wat andere sites vaag laten.